Robin Coops over zijn regie van Dido

“Het begint met zoeken naar verbinding”

Robin Coops regisseert DIDO, een opera over de hedendaagse terreur van geluk met een popster in de hoofdrol. Deze nieuwe enscenering van Dido en Aeneas is een project van de Stichting Noorderkerkconcerten in samenwerking met Holland Opera en Holland Baroque. Purcells meesterwerk in een spannende en actuele versie. Robin vertelt over zijn werkwijze en zijn visie op het klassieke verhaal.

Stond Dido al langer op je verlanglijstje?

“Ik vond de muziek altijd al geweldig maar vroeg mij wel af waarom ik opnieuw een Dido zou moeten willen ensceneren. Wat heb ik toe te voegen aan al die honderden keren dat de opera al op de planken is gebracht? Ik ben nog eens gaan luisteren en werd toen geraakt door het rouwproces dat Dido doormaakt. In de meeste ensceneringen wordt daar niet zoveel aandacht aan besteed. Dido ontmoet al snel Aeneas en in de meeste stukken wordt vervolgens vooral naar  deze liefde keken en niet naar het rouwproces waar wij ons  op focussen. Ik ben die liefde gaan bevragen.”

Hoe heb je dat gedaan?

“Dido heeft in het begin net haar man verloren. Dat is een interessant aspect. Eén van de eerste zinnen die wordt gezongen tegen haar is: ‘Zet je verdriet opzij’. Met alle goede bedoelingen natuurlijk. Maar er is juist tijd nodig voor verdriet. Je moet het de ruimte kunnen geven, zonder te verdrinken in melancholie. Dat is voor mij nu het hoofdthema geworden. Er is vaak te weinig ruimte om ongelukkig te zijn. Terwijl verdriet en rouw ook een functie hebben.”

Er wordt veel geschreven over de ‘geluksindustrie’ en een samenleving waarin geen ruimte is voor verdriet of rouw. Is dat waar deze Dido over gaat?

“Ja, ik ben geïnspireerd door het werk van onder anderen Dirk de Wachter en Paul Verhaeghe, die  beiden schrijven over deze ontwikkeling in onze samenleving. Bij een psycholoog moet je betalen om je ongeluk te mogen delen. Dat is een omgekeerde situatie. Natuurlijk kun je je verdriet kwijt bij vrienden, maar ook dat is meestal maar tot op zekere hoogte. Op een gegeven moment moet je toch weer zelf door. Je ziet dat steeds meer psychologen en filosofen zich over dit onderwerp buigen. De prestatiemaatschappij waarin we leven heeft een keerzijde. Als je niet presteert, wordt je daar hard op afgerekend.”

Dido wordt uitgevoerd in een kerk. Heeft dat invloed op de manier waarop je het verhaal vertelt?

“Ja, zeker. Ik ben me gaan afvragen wat een kerk vandaag de dag nog betekent. De klassieke rol van de kerk, is zeker onder jongeren, veranderd. Het is nog altijd een plek waar we dingen met elkaar delen, maar er zijn ook veel kerken veranderd in poptempels of concertzalen. Daar is de klassieke opstelling dus veranderd.”

Jouw Dido is een popster. Hoe ben je op dat idee gekomen?

“Dat dat is een link naar de poptempels, maar vooral ook naar de berichten over popsterren die zichzelf van het leven beroofden. De druk die het voortdurend in the picture staan met zich meebrengt, is ondoenlijk. Ze staan voor het geluk en zijn daarin een voorbeeld voor veel jongeren. Die twee dingen vond ik een interessant startpunt. Ook omdat we met jonge zangers en musici spelen. Dat sluit mooi aan bij de gedachte van waaruit we dit verhaal vertellen.”

De opera moet in vrij korte tijd van de grond komen. Hoe ga je dat aanpakken?

“Het belangrijkste is dat de zangers en musici die druk niet voelen. Het ensemblewerk is voor mij het belangrijkste. Het begint dus met het zoeken van de verbinding. Hoe kunnen we het zien als één compositie en één choreografie die we samen maken?”

Hoe ga je te werk?

“Het begint met het lichaam van de zangers in relatie tot de ruimte en elkaar. We beginnen met oefeningen om elkaar beter te leren kennen. Van daaruit kunnen we samen het verhaal gaan vertellen. Voor mij is het belangrijkste om vanuit de samenwerking met elkaar te beginnen. Of we nu 2 of 8 weken de tijd hebben. Natuurlijk moeten we nu sneller tot conclusies of resultaten komen. Maar er moet altijd ruimte zijn voor het onderzoeken van dingen en het experiment. Hoe kort de repetitieperiode ook is. Ik heb te vaak gezien hoe zangers worden vastgezet in een beeld of een choreografie. Deels kan dat helpen. Maar ik zoek liever naar kaders waarbinnen ruimte is voor de interpretatie en de eigenheid van de zangers. Het moet uit hun lichaam komen, zij kunnen ook met dingen komen die ik nog niet heb bedacht. Die samenwerking maakt het interessant, maar vraagt flexibiliteit van iedereen. Dat is het leukste aan samen een opera maken. Als regisseur moet ik het team in goede banen leiden. Maar dat betekent niet dat ik een dictator hoef te zijn.”